Citaat | Hoge Raad 19 maart 2002

Alinea 32 Hoge Raad 19 maart 2002

Een alinea uit Hoge Raad 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7004.

5.3. De termijn waarop art. 6, eerste lid, EVRM het oog heeft, vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld (HR 3 oktober 2000, NJ 2001, 721). Dat betekent dat een verhoor door de Zwitserse autoriteiten in het kader van een Zwitserse "criminal charge" niet kan gelden als een door de bevoegde Nederlandse autoriteiten tegen de verdachte uitgebrachte "criminal charge". Voorzover het middel een andersluidend standpunt inneemt, is het dan ook tevergeefs voorgesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ad72d54c9a1d5b04aa9c026e9d80375a98bc1430443eedf3303c01d2c6711771. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ad72d54c9a1d5b04aa9c026e9d80375a98bc1430443eedf3303c01d2c6711771, en de alinea staat in dat document op bytes 10911 tot 11630.