Citaat | Hoge Raad 8 februari 2002

Alinea 45 Hoge Raad 8 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7381.

De Kantonrechter heeft geoordeeld dat het in cassatie aan de orde zijnde deel van de vordering moest worden afgewezen op de grond dat [eiser] niet tijdig tegen de door [verweerster] gecorrigeerde staten heeft geprotesteerd, zoals vereist door het hiervoor in 3.1 onder (iv) weergegeven beding (verder te noemen: het beding). Naar aanleiding van de hiertegen gerichte grieven heeft de Rechtbank allereerst vastgesteld dat inderdaad, zoals ook de Kantonrechter heeft geoordeeld, van enig reëel protest van [eiser] tegen de door [verweerster] gecorrigeerde staten niet is gebleken (rov. 5.19 van het tussenvonnis). De Rechtbank heeft vervolgens onderzocht welke status aan het beding dient te worden toegekend. Dit onderzoek leidde de Rechtbank in haar eindvonnis tot de conclusie dat [verweerster] in ieder geval niet op grond van de CAO aanspraak kan maken op geldigheid van het beding. Evenmin kan ten aanzien van het beding gesproken worden van een vaststellingsovereenkomst of aanvullende afspraak, nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat over het beding tussen partijen wilsovereenstemming bestond. De Rechtbank houdt het er daarom voor dat het een eenzijdig, van [verweerster] afkomstig, beding betreft (rov. 4.1). Evenwel overweegt de Rechtbank vervolgens in rov. 4.2:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3113b22dc1df80d58b256f839ae6ab7001b8579b9eefef6a1974be1f40955a86. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3113b22dc1df80d58b256f839ae6ab7001b8579b9eefef6a1974be1f40955a86, en de alinea staat in dat document op bytes 12898 tot 14187.