Citaat | Hoge Raad 8 februari 2002

Alinea 46 Hoge Raad 8 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7381.

"De rechtbank is niettemin van oordeel dat [eiser] het beding tegen zich heeft te laten gelden, omdat het beroep van [eiser] op ongeldigheid van het beding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Door [verweerster] is onweersproken aangevoerd dat zij in grote bewijsproblemen zou komen, indien zij geruime tijd na het verstrijken van de 30 dagen termijn nog moet bewijzen waarom zij bepaalde correcties heeft aangebracht in de urenstaten van de werknemer. [Eiser] moet geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de door [verweerster] voorgestane bezwarentermijn, aangezien het betreffende beding op elke door [verweerster] aan hem uitgereikte urenstaat stond vermeld. Van enig reëel protest van [eiser] tegen de door [verweerster] gecorrigeerde staten (binnen de bezwarentermijn) is niet gebleken, zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 5.19 van het tussenvonnis. Evenmin is gesteld of gebleken dat het voor [eiser] op enigerlei wijze bezwaarlijk was zich aan de 30 dagen termijn te houden."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3113b22dc1df80d58b256f839ae6ab7001b8579b9eefef6a1974be1f40955a86. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3113b22dc1df80d58b256f839ae6ab7001b8579b9eefef6a1974be1f40955a86, en de alinea staat in dat document op bytes 14195 tot 15282.