Citaat | Hoge Raad 29 maart 2002
Alinea 41 Hoge Raad 29 maart 2002
Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175.
3.4.2 Het verwijt dat mr. [B] of zijn waarnemer mr. [C], nadat [eiseres] daarop omstreeks 10 september 1992 had aangedrongen, heeft verzuimd beslag te leggen teneinde te voorkomen dat de erven [A] (een deel van) het melkquotum aan derden zouden overdragen, achtte het Hof ongegrond, omdat het ervan uitging dat [eiseres] aan mr. [C] had medegedeeld dat de transportakte betreffende de onroerende zaak waarmee het quotum was verbonden reeds was gepasseerd, zodat beslag geen zin had. Het Hof was van oordeel dat van mr. [C] niet kon worden gevergd dat hij de juistheid van die mededeling van [eiseres], die door twee rentmeesters werd bijgestaan, zelfstandig onderzocht (rov. 13-15 van het tussenarrest van 25 november 1998).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10, en de alinea staat in dat document op bytes 13416 tot 14153.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10 | shasum -a 256