Citaat | Hoge Raad 29 maart 2002

Alinea 56 Hoge Raad 29 maart 2002

Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175.

4.2 Middel 2 betreft het hiervóór in 3.4.4 weergegeven oordeel van het Hof omtrent de gang van zaken tijdens het in januari 1993 gevoerde kort geding. Onderdeel 2.1 klaagt dat het Hof zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd door geen aandacht te besteden aan een essentiële stelling van [eiseres]. Die stelling (conclusie van antwoord in conventie, p. 5) hield in dat de president na afloop van het kort geding naar [eiseres] is toegekomen, haar heeft gevraagd de brief te mogen inzien die [eiseres] al meerdere malen onder de aandacht van mr. [B] had proberen te brengen en vervolgens heeft gezegd, dat hij die brief had moeten hebben en dat hij daar wat aan zou hebben gehad. De klacht faalt. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, nu in de in het vonnis van de president neergelegde gedachtengang de brief niet van beslissende betekenis zou zijn, niet terzake doet dat de president na afloop van de zitting tegenover [eiseres] mogelijk van een andere gedachtengang zou hebben blijk gegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10, en de alinea staat in dat document op bytes 24512 tot 25551.