Citaat | Hoge Raad 29 maart 2002

Alinea 59 Hoge Raad 29 maart 2002

Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175.

4.5.1 Middel 5 keert zich met motiveringsklachten tegen de hiervóór in 3.4.1 weergegeven overwegingen van het Hof in zijn tussenarrest van 15 september 1999. Onderdeel 5.1.1 bevat de klacht dat voorzover het Hof het eerste verweer van de maatschap zou hebben overgenomen, dit innerlijk tegenstrijdig zou zijn met zijn in de eerste alinea van 3.4.1 weergegeven oordeel in het arrest van 25 november 1998 over de reden waarom mr. [B] de pachtovereenkomst vóór eind oktober 1992 had moeten doen beëindigen. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van rov. 10 van het tussenarrest van 25 november 1998 zodat het niet tot cassatie kan leiden. Het Hof heeft in die overweging immers niet geoordeeld dat [eiseres] bij beëindiging van de pachtovereenkomst vóór 1 november 1992 in ieder geval, dat wil zeggen onafhankelijk van hetgeen de erven [A] mogelijk zouden ondernemen, over het volledige quotum zou hebben kunnen beschikken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10, en de alinea staat in dat document op bytes 26446 tot 27397.