Citaat | Hoge Raad 29 maart 2002

Alinea 68 Hoge Raad 29 maart 2002

Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175.

5.2.2 Het onderdeel faalt. Het Hof heeft kennelijk en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de opdracht van mr. [B], naar hij heeft moeten begrijpen, meebracht dat hij diende te bewerkstelligen dat [eiseres] desgewenst nog in het referentiejaar 1992/1993 over het melkquotum zou kunnen beschikken, ongeacht of zij tot de verkoop van de grond en het quotum zou overgaan. In die gedachtengang was niet van belang of (mr. [B] al dan niet ermee bekend was dat) [eiseres] - anders dan zij zich aanvankelijk voorstelde alsnog - van de mogelijkheid tot verkoop van het quotum in het referentiejaar 1992/1993 gebruik wenste te maken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2359892ab1f5144d2b7bb2ed014e875c5ce3e84c6e154b4500aa2d7a5cb0f10, en de alinea staat in dat document op bytes 34484 tot 35153.