Citaat | Hoge Raad 5 april 2002
Alinea 45 Hoge Raad 5 april 2002
Een alinea uit Hoge Raad 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186.
De onderdelen 1 en 2 gaan terecht ervan uit dat in deze zaak beslissend is of de bank en [verweerder] zich jegens elkaar verbonden hebben (HR 27 november 1992, nr. 14777, NJ 1993, 273). Het door de Rechtbank toegepaste, aan het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1997, nr. 16453, NJ 1998, 149, ontleende criterium - hoe hebben partijen feitelijk uitvoering en aldus inhoud gegeven aan hun arbeidsverhouding - is op zijn plaats in situaties waarin het gaat om de vraag hoe een - op zichzelf vaststaande - overeenkomst krachtens welke een van de partijen bij die overeenkomst werkzaamheden verricht voor de ander, moet worden gekwalificeerd. Het gaat in deze zaak echter niet om die vraag of de daarmee verwante vraag of, en zo ja vanaf wanneer, moet worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen indien iemand zonder duidelijke afspraken daarover werkzaamheden voor een ander is gaan verrichten. Uitgangspunt is hier dat [verweerder] met zijn werkzaamheden bij de bank is begonnen krachtens zijn arbeidsovereenkomst met [A] en de door de Rechtbank als inleenovereenkomst aangemerkte overeenkomst tussen [A] en de bank met betrekking tot [verweerder].
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eaa7fcce3192b70ebdeb1b44b1a54159b3339c9c9e42497122354f97cd777bb0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eaa7fcce3192b70ebdeb1b44b1a54159b3339c9c9e42497122354f97cd777bb0, en de alinea staat in dat document op bytes 13732 tot 14920.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eaa7fcce3192b70ebdeb1b44b1a54159b3339c9c9e42497122354f97cd777bb0 | shasum -a 256