Citaat | Hoge Raad 19 maart 2002
Alinea 26 Hoge Raad 19 maart 2002
Een alinea uit Hoge Raad 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8939.
4.3. Uit hetgeen het Hof aldus heeft vastgesteld kan niet anders volgen dan dat de bij de verbalisanten als gevolg van de ontdekking van de cocaïne gerezen verdenking betrekking had op enig misdrijf, bedoeld in art. 2, eerste lid aanhef en onder A en/of C van de Opiumwet. Die vaststelling van het Hof houdt immers in dat de cocaïne vanuit Venezuela op de luchthaven Schiphol en dus binnen het grondgebied van Nederland was gebracht en zich ter doorvoer naar Jordanië nog op die luchthaven bevond. Voorts houdt zij in dat de bij de ontdekking van de cocaïne nog onbekende dader de koffer en daarmee de cocaïne voor doorvoer naar Jordanië had ingeboekt en dus, gelet op art. 1, vierde en vijfde lid, Opiumwet bezig was met het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne. Verder houdt die vaststelling in dat de cocaïne zich in de machtssfeer van de verdachte bevond en hij deze dus aanwezig had. Die misdrijven duurden ten tijde van de aanhouding van de verdachte voort, zodat deze aanhouding plaatsvond terwijl deze strafbare feiten werden begaan en ontdekt. Een en ander vindt bevestiging in het proces-verbaal van 19 juni 2000, dat door het Hof in de aanhef van zijn hiervoor
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64ba99e65b913b22b86bb171099aa8798ed5fe486538943ecda7728f63e1e137. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64ba99e65b913b22b86bb171099aa8798ed5fe486538943ecda7728f63e1e137, en de alinea staat in dat document op bytes 9637 tot 10864.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/64ba99e65b913b22b86bb171099aa8798ed5fe486538943ecda7728f63e1e137 | shasum -a 256