Citaat | Hoge Raad 19 maart 2002

Alinea 29 Hoge Raad 19 maart 2002

Een alinea uit Hoge Raad 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8961.

"U houdt mij voor dat ik bij mijn aanhouding een flink geldbedrag op zak had. Omdat ik krap bij kas zit, had ik een gouden ketting uit de erfenis van mijn vader verkocht. (...) U vraagt mij hoe ik aan de Duitse marken ben gekomen, die ik bij mijn aanhouding ook op zak had. Ik was bij het winkelcentrum. (...) [mededader] gaf me geld in handen. Ik heb die ketting op straat verkocht na mijn vorige detentie (...)". Ik heb die ketting verkocht aan een Afrikaan (...) Voorts houdt u mij voor dat de noodzaak de ketting te verkopen niet bestond, gezien mijn verklaring bij de rechtbank dat mijn vrouw werkt en dat dat genoeg is om van rond te komen. Nee dat was niet genoeg om van rond te komen."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/498db42669ce5264286d7f91e46518e962ad4769fef57cf2e24551ee1ba392fb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 498db42669ce5264286d7f91e46518e962ad4769fef57cf2e24551ee1ba392fb, en de alinea staat in dat document op bytes 8336 tot 9044.