Citaat | Hoge Raad 8 februari 2002

Alinea 28 Hoge Raad 8 februari 2002

Een alinea uit Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9044.

3.4 De onderdelen klagen terecht dat het Hof met zijn hiervoor in 3.3 als (b) en (c) aangeduide oordelen heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 69. Deze bepaling geeft een ruime vrijheid aan de tuchtrechter om te beoordelen of en zo ja, in hoeverre, een dergelijke vergoeding wordt toegekend. Bij de beoordeling welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dienen echter de werkelijk gemaakte kosten tot uitgangspunt te worden genomen en zal in het algemeen als maatstaf hebben te gelden in hoeverre deze kosten in verband met de behandeling die heeft plaatsgevonden, redelijkerwijs gemaakt moesten worden en in hoeverre deze kosten wat de hoogte van de in rekening gebrachte bedragen betreft redelijk zijn. Hieruit volgt dat het hanteren van een forfait niet met dit uitgangspunt in overeenstemming is en dat ook niet als maatstaf kan gelden of degene die om vergoeding van kosten verzoekt, tot het verrichten van proceshandelingen is uitgenodigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3da9214ff7522abc9995ba0d349964e78d436b4ae857bac75b3718500f1ccf1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3da9214ff7522abc9995ba0d349964e78d436b4ae857bac75b3718500f1ccf1d, en de alinea staat in dat document op bytes 8362 tot 9369.