Citaat | Hoge Raad 12 april 2002

Alinea 39 Hoge Raad 12 april 2002

Een alinea uit Hoge Raad 12 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9117.

3.4.2 Zoals het Hof in zijn rov. 4.3 heeft overwogen, hield de memorie van antwoord in het principaal beroep onmiskenbaar een incidenteel hoger beroep in. [Eiser] heeft in cassatie niet aangevoerd dat hij niet de gelegenheid heeft gehad uit eigen beweging een memorie van antwoord in het incidenteel appel in te dienen. De klacht die erop neerkomt dat het Hof [eiser] daartoe ambtshalve in de gelegenheid had moeten stellen, kan geen doel treffen, omdat het Hof, naar in cassatie moet worden aangenomen, ervan mocht uitgaan dat beide partijen na de memorie van antwoord in het principaal appel arrest hebben gevraagd. Het Hof had in het verloop van de procedure aanleiding kunnen vinden, alvorens verder te beslissen, [eiser] eerst (alsnog) de gelegenheid te geven een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep in te dienen, doch het Hof was daartoe niet gehouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9c75fb406c2d1217a34df02d966c41aaac8c969c3322879ba7d3bc89d300b965. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9c75fb406c2d1217a34df02d966c41aaac8c969c3322879ba7d3bc89d300b965, en de alinea staat in dat document op bytes 11053 tot 11942.