Citaat | Hoge Raad 26 april 2002

Alinea 36 Hoge Raad 26 april 2002

Een alinea uit Hoge Raad 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9132.

4.2.2 De op 7 juni 1993 door de President van de rechtbank te Rotterdam op de voet van art. 3:267 aan de Banken verleende machtiging gaf hun - overeenkomstig het beding in art. 16 van de op de hypotheekovereenkomst toepasselijke Algemene Voorwaarden waarop het desbetreffende verzoek berustte - de bevoegdheid de zaken in beheer te nemen. Noch in die machtiging noch in de Algemene Voorwaarden is sprake van de bevoegdheid de zaken onder zich te nemen en die bevoegdheid volgt ook niet uit de bevoegdheid een zaak in beheer te nemen. Naar huidig recht moet bovendien blijkens art. 3:267 de bevoegdheid om een zaak onder zich te nemen afzonderlijk worden bedongen. Het beding in de Algemene Voorwaarden dat de Banken bevoegd zijn de zaken "voor [hun] rekening te laten onderhouden, herstellen of vernieuwen op door [hen] te bepalen wijze" kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk beding in de zin van deze bepaling. Het onderdeel is derhalve gegrond. De vraag of de Banken, de (ontbrekende) bevoegdheid tot onder zich nemen van de zaken buiten beschouwing gelaten, op een andere grond aan de Algemene Voorwaarden de bevoegdheid tot sloop kunnen ontlenen, komt hierna in 4.6 aan de orde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/703602cd3f96237cd5587b374a68e9117eb5d67b698c670b83ab68ccefcf1cd7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 703602cd3f96237cd5587b374a68e9117eb5d67b698c670b83ab68ccefcf1cd7, en de alinea staat in dat document op bytes 11773 tot 12979.