Citaat | Hoge Raad 3 mei 2002
Alinea 36 Hoge Raad 3 mei 2002
Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9599.
3.3 In rov. 4.4 van zijn arrest heeft het Hof vervolgens onderzocht of [verweerder] eerder dan bij memorie van grieven de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen. Daarbij heeft het Hof met juistheid - in cassatie niet bestreden - tot uitgangspunt genomen dat voor het inroepen van de nietigheid in een geval als het onderhavige geen vormvereisten bestaan en dat voldoende is dat de werkgever uitlatingen die zijn gedaan namens de werknemer, redelijkerwijs heeft moeten opvatten als een beroep op nietigheid. Het Hof is vervolgens op grond van de in rov. 4.4 weergegeven omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot de slotsom gekomen dat bij inleidende dagvaarding, uitgebracht op 7 april 1994, weliswaar impliciet maar niettemin voldoende duidelijk de nietigheid van de opzegging door GTI Holding bij fax van 16 februari 1994 is ingeroepen, en dat derhalve de opzegging van het dienstverband tussen GTI Holding en [verweerder] niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde gedachtengang zijn niet onbegrijpelijk, zodat onderdeel 2 faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6a0e53f3eac76e66e1b6e9677f73793322452f628ac2ebe48899d1e246f741ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6a0e53f3eac76e66e1b6e9677f73793322452f628ac2ebe48899d1e246f741ba, en de alinea staat in dat document op bytes 10920 tot 12024.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6a0e53f3eac76e66e1b6e9677f73793322452f628ac2ebe48899d1e246f741ba | shasum -a 256