Citaat | Hoge Raad 24 mei 2002
Alinea 43 Hoge Raad 24 mei 2002
Een alinea uit Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9600.
3.3 Naar blijkt uit zijn rov. 5 - 6.2 is het Hof klaarblijkelijk van oordeel dat op de vordering van [eiser] de Wet van 31 oktober 1924 van toepassing is. Naar onderdeel 1 terecht betoogt, is dit oordeel onjuist. Immers, uitgaande van zijn oordeel dat de verjaringstermijn is aangevangen per 1 januari 1990, te weten na het einde van het jaar waarin het CBB op het beroep van [eiser] heeft beslist, is ingevolge het bepaalde in art. 73 in verbinding met art. 68a OwNBW op deze vordering niet de Wet van 31 oktober 1924 van toepassing, maar geldt voor deze vordering art. 3:310 lid 1 BW (vgl. HR 17 november 2000, nr. C98/374, NJ 2001, 580). De gegrondbevinding van onderdeel 1 brengt mee dat onderdeel 2, dat tot uitgangspunt neemt dat de Wet van 31 oktober 1924 wel van toepassing is, geen behandeling behoeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9aafe57e38821ff1eb66a5f279d6e87d179d413b3eb31fcc772cc008a3ae5287. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9aafe57e38821ff1eb66a5f279d6e87d179d413b3eb31fcc772cc008a3ae5287, en de alinea staat in dat document op bytes 11023 tot 11847.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9aafe57e38821ff1eb66a5f279d6e87d179d413b3eb31fcc772cc008a3ae5287 | shasum -a 256