Citaat | Hoge Raad 24 mei 2002
Alinea 47 Hoge Raad 24 mei 2002
Een alinea uit Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9600.
3.7 Ook het betoog van [eiser] dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, faalt. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de Staat zich erop beroept dat de verjaring is voltooid voordat het EHRM in de zaak Van de Hurk uitspraak had gedaan, kan zulks [eiser] niet baten. Van [eiser] had immers in ieder geval gevergd kunnen worden dat hij binnen een redelijke termijn na het bekend worden van die uitspraak de Staat aansprakelijk had gesteld. Daarvan is evenwel geen sprake, nu voormelde uitspraak in Nederland is gepubliceerd in het NJCM Bulletin van juni 1994, p. 389 v., en [eiser] eerst op 6 juli 1995 de Staat aansprakelijk heeft gesteld. Ook de overige in onderdeel 4 vermelde omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9aafe57e38821ff1eb66a5f279d6e87d179d413b3eb31fcc772cc008a3ae5287. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9aafe57e38821ff1eb66a5f279d6e87d179d413b3eb31fcc772cc008a3ae5287, en de alinea staat in dat document op bytes 14064 tot 15067.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9aafe57e38821ff1eb66a5f279d6e87d179d413b3eb31fcc772cc008a3ae5287 | shasum -a 256