Citaat | Hoge Raad 3 mei 2002
Alinea 41 Hoge Raad 3 mei 2002
Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9604.
3.4.2 De aangezochte rechter dient bij de bepaling van zijn bevoegdheid ingevolge art. 5 sub 1 EEX in een geval als het onderhavige aan de hand van het volgens zijn internationaal privaatrecht op de overeenkomst toepasselijke recht te onderzoeken waar de verbintenis uit overeenkomst die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (zie HvJEG 6 oktober 1976, zaak 12/76 (Tessili/Dunlop), Jurispr. 1976, p. 1473, NJ 1977, 169, en HvJEG 28 september 1999, zaak C-440/97 (Groupe Concorde), Jurispr. 1999, p. I-6307, NJ 2001, 595). De onderdelen zijn gegrond, voorzover zij erover klagen dat het bestreden arrest niet het oordeel inhoudt dat en waarom de contractuele verbintenis waarvan de niet-nakoming door Ziegler ten grondslag is gelegd aan haar reconventionele vordering tot schadevergoeding, in het rechtsgebied van de Rechtbank te Rotterdam moet worden uitgevoerd. Het arrest is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e6488dba3be317e2adb023d16ea75ed502a7470514ef614ad3925ff9e0762011. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e6488dba3be317e2adb023d16ea75ed502a7470514ef614ad3925ff9e0762011, en de alinea staat in dat document op bytes 13277 tot 14256.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e6488dba3be317e2adb023d16ea75ed502a7470514ef614ad3925ff9e0762011 | shasum -a 256