Citaat | Hoge Raad 24 mei 2002

Alinea 46 Hoge Raad 24 mei 2002

Een alinea uit Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9615.

3.3 Onderdeel I keert zich tegen rov. 3.4 van het Hof primair met het betoog dat de vordering van [eiser] c.s. nog niet was verjaard en subsidiair met het betoog dat het beroep op verjaring door de Staat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij gaan de onderdelen A1. en 2 primair ervan uit dat het Hof de Wet van 31 oktober 1924 (Stb. 482) ten onrechte van toepassing heeft geacht. Subsidiair betogen de subonderdelen A3 - 5 dat het Hof die wet onjuist heeft toegepast, terwijl onderdeel A 6 betoogt dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Onderdeel A 7 heeft geen zelfstandige betekenis. Onderdeel B gaat uit van de toepasselijkheid van art. 3:310 lid 1 BW. Onderdeel C bouwt voort op de onderdelen A en B. Onderdeel I faalt in zijn geheel op de volgende gronden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a05a96ef54acb641dd51f5f40358e1411c4426d97a20eb58982fb64f8413c141. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a05a96ef54acb641dd51f5f40358e1411c4426d97a20eb58982fb64f8413c141, en de alinea staat in dat document op bytes 10138 tot 11019.