Citaat | Hoge Raad 24 mei 2002
Alinea 47 Hoge Raad 24 mei 2002
Een alinea uit Hoge Raad 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9615.
3.4 Naar blijkt uit zijn rov. 3.3 en 3.4 is het Hof klaarblijkelijk van oordeel dat op de vordering van [betrokkene A] de Wet van 31 oktober 1924 van toepassing is. Dit oordeel is juist. Naar het Hof in rov. 3.4 met juistheid heeft geoordeeld werd de vordering van [eiser] c.s. opvorderbaar na en door de beslissing van het CBB. Immers, op dat tijdstip is voor [eiser] c.s. de bevoegdheid ontstaan om tegen de Staat de thans aan de orde zijnde vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen. Nu [eiser] c.s. op dat tijdstip - 15 mei 1987 - ook bekend waren met deze vordering, was ingevolge het bepaalde in art. 73 in verbinding met art. 68a OwNBW op deze vordering de Wet van 31 oktober 1924 van toepassing (vgl. HR 17 november 2000, nr. C98/374, NJ 2001, 580).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a05a96ef54acb641dd51f5f40358e1411c4426d97a20eb58982fb64f8413c141. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a05a96ef54acb641dd51f5f40358e1411c4426d97a20eb58982fb64f8413c141, en de alinea staat in dat document op bytes 11058 tot 11842.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a05a96ef54acb641dd51f5f40358e1411c4426d97a20eb58982fb64f8413c141 | shasum -a 256