Citaat | Hoge Raad 19 april 2002

Alinea 61 Hoge Raad 19 april 2002

Een alinea uit Hoge Raad 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9616.

3.4 Voorzover het Hof in deze rechtsoverweging ervan zou zijn uitgegaan dat in dit geval voor het ingaan van de wettelijke rente niet meer nodig is dan het enkele verstrijken van het overeengekomen betalingsmoment, heeft het miskend dat de wettelijke rente volgens art. 1286 lid 3 (oud) BW, tenzij is aangemaand overeenkomstig deze bepaling, berekend wordt vanaf de dag dat zij in rechte wordt gevorderd - hier: bij exploit van dagvaarding van 18 september 1992 - en dat voor anticiperende toepassing van art. 6:83, aanhef en sub a, BW geen grond aanwezig is. Voorzover het Hof in deze rechtsoverweging zou hebben geoordeeld dat de brief van 31 mei 1989 van de advocaat van [verweerder], waarin namens [verweerder] aanspraak werd gemaakt op deze rentepost, geldt als aanmaning in de zin van art. 1286 lid 3, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu deze brief is verzonden vóórdat de vordering opeisbaar was en derhalve op grond van art. 1286 lid 3 geen effect kon sorteren. Onderdeel 1, dat hierover klaagt, treft derhalve doel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f64fc4430ca85a6c57724deadd3f222a9bb7e840b7ef5ce5f496b2c950159fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f64fc4430ca85a6c57724deadd3f222a9bb7e840b7ef5ce5f496b2c950159fd, en de alinea staat in dat document op bytes 16157 tot 17222.