Citaat | Hoge Raad 3 mei 2002
Alinea 57 Hoge Raad 3 mei 2002
Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9618.
Aangenomen moet worden dat ook aan de schuldeiser van een vordering onder opschortende voorwaarde in beginsel een beroep op de Pauliana toekomt. Er is geen reden de (voorwaardelijke) schuldeiser wiens schuldenaar zich aan paulianeuze handelingen schuldig maakt, niet de mogelijkheid te geven daartegen op te komen; evenals voor de onvoorwaardelijke schuldeiser is het immers ook voor hem van belang dat hij zijn verhaalspositie kan veiligstellen. Bij de totstandkoming van art. 3:45 BW is in de MvA II opgemerkt dat de positie van de schuldeiser aan wiens vordering een voorwaarde is verbonden, beoordeeld zal moeten worden aan de hand van art. 6:26 (art. 6.1.5.5), dat bepaalt dat op voorwaardelijke verbintenissen de bepalingen betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing zijn voorzover het voorwaardelijk karakter van de betrokken verbintenis zich daartegen niet verzet. De MvA merkt vervolgens op dat toepassing van die regel er vermoedelijk toe zal leiden dat een schuldeiser de bevoegdheid de pauliana in te roepen "wel of niet zal hebben, al naar gelang vervulling van de voorwaarde meer of minder waarschijnlijk en meer of minder nabij is" (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 219). In de onderhavige zaak is art. 1358 (oud) BWNA nog van toepassing, maar voor de beantwoording van de vraag die door het middel wordt gesteld, maakt dat geen verschil.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/63d38f6c77e273b2c6d94b472b00c91bdea15a030ad4860b7b557c4c7c4b4fe7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 63d38f6c77e273b2c6d94b472b00c91bdea15a030ad4860b7b557c4c7c4b4fe7, en de alinea staat in dat document op bytes 14298 tot 15675.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/63d38f6c77e273b2c6d94b472b00c91bdea15a030ad4860b7b557c4c7c4b4fe7 | shasum -a 256