Citaat | Hoge Raad 2 juli 2002
Alinea 32 Hoge Raad 2 juli 2002
Een alinea uit Hoge Raad 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9915.
3.3. Uit de tekst en deze geschiedenis van de totstandkoming van art. 126ff Sv blijkt niet dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte. Voorts blijkt daaruit en uit art. 140a Sv dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Dat brengt mee dat indien, zoals in het verweer waarop het middel ziet, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in art. 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen. Het Hof heeft het verweer, ook al is dit op een andere grond geschied, dus terecht verworpen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d53d862e87e7b1093bdeeb8f3e19a504fd40e15c3435d1c317d18a52ae986cae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d53d862e87e7b1093bdeeb8f3e19a504fd40e15c3435d1c317d18a52ae986cae, en de alinea staat in dat document op bytes 9332 tot 10308.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d53d862e87e7b1093bdeeb8f3e19a504fd40e15c3435d1c317d18a52ae986cae | shasum -a 256