Citaat | Hoge Raad 24 september 2002
Alinea 46 Hoge Raad 24 september 2002
Een alinea uit Hoge Raad 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0553.
3.9. Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. De beantwoording van de vraag op welk tijdstip het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon of tegen een ingevolge het derde lid van art. 51 Sr voor de toepassing van de overige leden van art. 51 Sr met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit vervalt nadat aan hun bestaan een einde is gekomen, is, anders dan voor natuurlijke personen in art. 69 Sr het geval is, wettelijk niet geregeld. Bij het aan art. 69 Sr ten grondslag liggende beginsel kan echter in zoverre worden aangesloten als hierna wordt uiteengezet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ddaf12cdb899ab42e48ba4016df11915ae87318e0c08002ecb4ffb5a95d7aae9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ddaf12cdb899ab42e48ba4016df11915ae87318e0c08002ecb4ffb5a95d7aae9, en de alinea staat in dat document op bytes 13500 tot 14122.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ddaf12cdb899ab42e48ba4016df11915ae87318e0c08002ecb4ffb5a95d7aae9 | shasum -a 256