Citaat | Hoge Raad 7 juni 2002

Alinea 49 Hoge Raad 7 juni 2002

Een alinea uit Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0644.

3.3.1 De Rechtbank heeft geoordeeld dat [eiseres] in de periodes waarin art. 39 verbindend is geweest recht op suppletie heeft, maar niet in de tussenliggende periodes - 1 april tot en met 24 december 1997 en 1 maart tot 21 oktober 1998 -, nu art. 39 niet algemeen verbindend was ten tijde van haar uitval wegens arbeidsongeschiktheid - 21 oktober 1996 - en zich dus niet het geval voordoet dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 1994, nr. 15240, NJ 1994, 420. Slechts voor dat geval - de werknemer die op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt is geworden, krachtens algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO tegenover de werkgever recht kan doen gelden op doorbetaling van salaris of aanvulling van wegens die arbeidsongeschiktheid genoten uitkeringen over een in die bepalingen omschreven tijdvak - heeft, zo oordeelde de Rechtbank, de Hoge Raad aanvaard dat het aldus verkregen recht niet wordt aangetast doordat in de loop van dat tijdvak de bedoelde bepalingen ophouden algemeen verbindend te zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/70ae6d84ee9978ff778e50524da778dfc28e9552a52c81e71957338a6bf246a5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 70ae6d84ee9978ff778e50524da778dfc28e9552a52c81e71957338a6bf246a5, en de alinea staat in dat document op bytes 11958 tot 13017.