Citaat | Hoge Raad 21 juni 2002

Alinea 37 Hoge Raad 21 juni 2002

Een alinea uit Hoge Raad 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0655.

3.3.2 Onderdeel 1.3 strekt ten betoge dat het hier toepasselijke art. 144 lid 2 (oud) Rv. uitsluitend ziet op het verkrijgen van opheldering van partijen of hun advocaten, en dat, nu de toelichting van [betrokkene 1] het karakter draagt van een getuigenverklaring en niet van opheldering van onduidelijkheden, het Hof deze toelichting niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen. Voor zover het onderdeel berust op de veronderstelling dat het Hof [betrokkene 1] als getuige heeft gehoord op een andere dan de door de wet voorgeschreven wijze, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft klaarblijkelijk [betrokkene 1] beschouwd als een van de personen die namens de Staat opheldering konden verschaffen over het standpunt van de Staat. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat het Hof bij zijn oordeel van de aldus verkregen en, zoals het Hof heeft vastgesteld, door [eiser] niet weersproken inlichtingen gebruik heeft gemaakt. Het Hof behoefde zich niet van deze vaststelling te laten weerhouden door de omstandigheid dat [eiser] niet in persoon ter terechtzitting aanwezig was, nu zijn advocaat, die wel tegenwoordig was, de door [betrokkene 1] gegeven toelichting niet heeft bestreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae9f67fd91f2634214a2c80948a9ee781dbd743bc296c46900ef4f141215365b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae9f67fd91f2634214a2c80948a9ee781dbd743bc296c46900ef4f141215365b, en de alinea staat in dat document op bytes 9541 tot 10754.