Citaat | Hoge Raad 31 mei 2002

Alinea 36 Hoge Raad 31 mei 2002

Een alinea uit Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0748.

Kennelijk heeft het Hof de ten gevolge van de inverdienregeling telkens optredende tijdelijke verhoging van het winstaandeel van de zittende maten echter niet als een wijze van realiseren van in de maatschap aanwezige goodwill aangemerkt. Gelet op het in rov. 4.2 van het bestreden arrest weergegeven en door het Hof kennelijk aannemelijk geachte verweer van de man dat de inverdienregeling haar grond alleen vindt in de omstandigheid dat de persoonlijke verdiencapaciteit en omzet van toetredende (onervaren) maten in het algemeen aanvankelijk minder zijn dan die van zittende (ervaren) maten, is dit oordeel, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtopvatting, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor het overige kan het, als verweven met feitelijke waarderingen, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2105544df76c3704228e0fa6a51fff20a7e2fb6a8068bfa28df728ca7328f69e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2105544df76c3704228e0fa6a51fff20a7e2fb6a8068bfa28df728ca7328f69e, en de alinea staat in dat document op bytes 13291 tot 14132.