Citaat | Hoge Raad 11 juni 2002
Alinea 38 Hoge Raad 11 juni 2002
Een alinea uit Hoge Raad 11 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1487.
4.3. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de raadsvrouwe door toezending aan haar van het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 mei 1998, waarin het tijdstip van de nadere behandeling is vermeld, van dat tijdstip op de hoogte was. Dat oordeel, waarin ligt besloten dat dat proces-verbaal de raadsvrouwe ook heeft bereikt, is niet onbegrijpelijk, gelet op de hiervoor onder 4.2.2 genoemde, op dat proces-verbaal gestelde aantekening en in aanmerking genomen dat uit de stukken niet kan blijken dat de raadsvrouwe, van wie immers mocht worden gevergd dat zij zich op de hoogte stelde van de beslissing op het verzoek tot aanhouding, ten vervolge op haar eerdere verzoek om toezending van processtukken, alsnog om toezending van dat proces-verbaal heeft verzocht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/adcb4aa62b13d4f10281b45aa08313986ca82ee5b875973bd303dd42b99d501e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt adcb4aa62b13d4f10281b45aa08313986ca82ee5b875973bd303dd42b99d501e, en de alinea staat in dat document op bytes 11980 tot 12763.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/adcb4aa62b13d4f10281b45aa08313986ca82ee5b875973bd303dd42b99d501e | shasum -a 256