Citaat | Hoge Raad 28 juni 2002

Alinea 47 Hoge Raad 28 juni 2002

Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1538.

3.4.3 Art. 5:35 Awb, waarvan het eerste lid luidt: "De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd.", is ontleend aan, onder meer, voormeld art. 138 Gemeentewet, dat op zijn beurt is ontleend aan art. 611g leden 1 en 2 Rv. Voor elk van deze artikelen geldt dat de verjaringstermijn van zes maanden is ingegeven enerzijds door de bedoeling van de dwangsom - voorzover het de bestuurlijke dwangsom betreft: het ongedaan maken van de overtreding of het voorkomen van verdere overtreding dan wel herhaling van de overtreding - en anderzijds door de billijkheid. "Het zou met de bedoeling van de dwangsom en met de billijkheid in strijd zijn, indien men aan de schuldeiser zou toestaan door stil te zitten de dwangsommen te laten oplopen totdat zij een onevenredige hoogte zouden hebben bereikt.", aldus de gemeenschappelijke memorie van toelichting van de Benelux-overeenkomst houdende eenvormige wet inzake de dwangsom (Kamerstukken II 1975/76, 13 788 (R 1015), nrs. 1-4, blz. 22).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bce429e736212b47f48a8128d7fc3e7d584bd1502f6d285c0c0ef955e68e267. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bce429e736212b47f48a8128d7fc3e7d584bd1502f6d285c0c0ef955e68e267, en de alinea staat in dat document op bytes 14724 tot 15795.