Citaat | Hoge Raad 28 juni 2002

Alinea 48 Hoge Raad 28 juni 2002

Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1538.

3.4.4 Art. 5:35 Awb noch de hiervoor in de eerste zin van 3.4.3 genoemde andere wetsartikelen bevatten een regeling omtrent stuiting van de verjaring. Stuiting is echter, gelijk - in cassatie onbestreden - door het Hof is geoordeeld, mogelijk. De aard van de rechtsverhouding tussen een bestuursorgaan en degene die, zoals [verweerder], een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd, verzet zich niet tegen overeenkomstige toepassing van de in Boek 3 titel 11 BW opgenomen bepalingen inzake de stuiting van bevrijdende verjaring, en - mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen omtrent de ratio van de termijn van zes maanden - met name niet tegen toepassing van de hoofdregel van art. 3:319 BW dat met de aanvang van de dag waarop de stuiting plaatsvond een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen, welke gelijk is aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren. Deze hoofdregel is hier van toepassing omdat, anders dan in de toelichting op het middel besloten ligt, de betekening van de dwangbevelen (gevolgd door afwijzing van het verzet) niet kan worden aangemerkt als, of op een lijn gesteld kan worden met het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd als bedoeld in art. 3:319 BW.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bce429e736212b47f48a8128d7fc3e7d584bd1502f6d285c0c0ef955e68e267. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bce429e736212b47f48a8128d7fc3e7d584bd1502f6d285c0c0ef955e68e267, en de alinea staat in dat document op bytes 15815 tot 17058.