Citaat | Hoge Raad 27 september 2002
Alinea 21 Hoge Raad 27 september 2002
Een alinea uit Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1552.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regeling van het vast recht erop is gericht dit recht, wat de hoogte betreft, te relateren aan het financiële belang van de zaak, voorzover dat belang tot uitdrukking komt in een tot betaling van een bepaalde geldsom strekkende vordering. In cassatie brengt dit mee dat voor de berekening van het vast recht in een bij dagvaarding aanhangig gemaakte cassatiezaak in beginsel moet worden aangeknoopt bij (het bedrag van) de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep in cassatie is gericht, had te beslissen. (HR 30 maart 1990, nr. 7707, NJ 1990, 515). Daarbij biedt de wet geen ruimte voor een andere dan een formele uitleg van de vordering en mag de griffier bij de bepaling van het vast recht niet door de vordering heen kijken (vgl. Kamerstukken I, 1987-1988, 19 880, nr. 154b, blz. 2).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f573158d47c1d408392d62269bd2a1b46493e4dbec12991718cca79de23b6034. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f573158d47c1d408392d62269bd2a1b46493e4dbec12991718cca79de23b6034, en de alinea staat in dat document op bytes 6757 tot 7618.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f573158d47c1d408392d62269bd2a1b46493e4dbec12991718cca79de23b6034 | shasum -a 256