Citaat | Hoge Raad 27 september 2002

Alinea 24 Hoge Raad 27 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1552.

2.3 Blijkens het voorgaande heeft [betrokkene] zijn te dezen van belang zijnde vordering aldus ingekleed, dat hij op verschillende gronden vorderde [opposante] te veroordelen tot betaling van een bedrag tot opheffing van het door [betrokkene] geleden nadeel en daarbij te bepalen dat de omvang van dit nadeel zou worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Voor de toepassing van art. 2 WTBZ moet deze vordering worden aangemerkt als een vordering tot veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, zoals bedoeld in lid 5. Het Hof heeft deze vordering toegewezen, des dat het Hof de omvang van het te vergoeden nadeel aanstonds heeft vastgesteld. In het licht van de ingestelde vordering moet dit worden aangemerkt als het begroten van de schade, zoals bedoeld in lid 5. De waarnemend griffier heeft dan ook, gezien het bepaalde in art. 2 lid 5 in verbinding met lid 3, aanhef en onder d, WTBZ het vast recht terecht vastgesteld aan de hand van het bedrag, tot betaling waarvan het Hof [opposante] heeft veroordeeld. Het verzet is derhalve ongegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f573158d47c1d408392d62269bd2a1b46493e4dbec12991718cca79de23b6034. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f573158d47c1d408392d62269bd2a1b46493e4dbec12991718cca79de23b6034, en de alinea staat in dat document op bytes 8751 tot 9828.