Citaat | Hoge Raad 2 juli 2002
Alinea 39 Hoge Raad 2 juli 2002
Een alinea uit Hoge Raad 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1738.
Voorts was aannemelijk dat de verdovende middelen zich nog in het perceel [a-straat 1] te Den Haag bevonden. Nu er ook vanuit mocht worden gegaan dat ook anderen ([betrokkene 5] en [betrokkene 4]) mogelijk bekend waren met de aanwezigheid van verdovende middelen in de woning [a-straat 1] te Den Haag, bestond voor de politie, in dit geval in de persoon van de hulpofficier van justitie H.S. Gerritsen, een dringende reden om, na aanhouding van de verdachten, met spoed huiszoeking te doen ter inbeslagneming van die verdovende middelen, dit mede om te voorkomen dat deze verdovende middelen zouden verdwijnen en/of verder verhandeld zouden worden. Het hof is van oordeel dat de huiszoeking volgens de in artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, zoals die ten tijde van de huiszoeking golden, is verlopen en dat bovendien op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder b van de Opiumwet, de politieambtenaren toegang hadden tot de desbetreffende woning en bovendien op grond van het derde lid van dat artikel tot inbeslagneming konden overgaan. De omstandigheid dat op 3 augustus 1999, derhalve nadat de huiszoeking al had plaatsgehad, een machtiging daartoe is verstrekt doet niet af aan de bevoegdheid van de opsporingsambtenaren de desbetreffende woning te betreden en vervolgens huiszoeking te doen."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd6242a471c527362921b5b06fabfeaa8f60174db6a3073cdc0d99279e0ca8a5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd6242a471c527362921b5b06fabfeaa8f60174db6a3073cdc0d99279e0ca8a5, en de alinea staat in dat document op bytes 14078 tot 15427.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cd6242a471c527362921b5b06fabfeaa8f60174db6a3073cdc0d99279e0ca8a5 | shasum -a 256