Citaat | Hoge Raad 27 september 2002

Alinea 54 Hoge Raad 27 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2143.

3.3.3 Voorts heeft de Rechtbank met partijen geoordeeld dat prejudiciële vragen dienen te worden gesteld omtrent de betekenis van de overweging in het arrest van het HvJEG in de zaak C-39/94 (SFEI/La Poste), Jurispr. 1996, p. I-3547, dat de nationale rechterlijke instanties de justitiabelen dienen te waarborgen, dat overeenkomstig hun nationale recht, uit een schending van art. 93 lid 3, laatste volzin, van het Verdrag, alle consequenties zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat de terugvordering betreft van de in strijd met deze bepaling of met eventuele voorlopige maatregelen verleende steun. Daarbij had de Rechtbank in de eerste plaats de vraag op het oog of het ten onrechte ontbreken van een aanmelding ertoe dient te leiden dat de verordeningen voor ongeldig dienen te worden gehouden en ook de rechtskracht van de op basis van die verordeningen genomen besluiten vervalt, dan wel of dit afstuit op de formele rechtskracht naar Nederlands recht van de besluiten. In de tweede plaats vroeg de Rechtbank zich af welke ongedaanmakingsverplichtingen zouden ontstaan als de verordeningen en/of besluiten voor ongeldig dienen te worden gehouden: als de betaalde heffingen zouden moeten worden terugbetaald aan Pearle c.s., rijst de vraag of daartegenover de bevoordeling die door de steun heeft plaatsgevonden - welke naar haar aard niet in natura kan worden gerestitueerd - ongedaan moet worden gemaakt door het HBA de waarde van de reclamecampagnes terug te doen vorderen van de begunstigde ondernemers. Daarbij wees de Rechtbank erop dat naar Nederlands recht door de vernietiging, met terugwerkende kracht, een door de redelijkheid en billijkheid beheerste ongedaanmakingsverplichting ontstaat: de heffing kan in geld worden terugbetaald, maar de door de opticiënsbranche ontvangen dienst, bestaande uit de reclamecampagne, kan bezwaarlijk ongedaan worden gemaakt. De Rechtbank wees in dit verband voorts op de ingevolge art. 3:53 lid 2 BW bestaande mogelijkheid in een dergelijk geval aan de door de vernietiging onredelijk bevoordeelde partij de verplichting op te leggen tot een uitkering in geld aan de benadeelde partij.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f69c90daf4deb796573b30029276f30e8211cbdaec18b974f1ddb282371b4ac5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f69c90daf4deb796573b30029276f30e8211cbdaec18b974f1ddb282371b4ac5, en de alinea staat in dat document op bytes 16151 tot 18393.