Citaat | Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 40 Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2149.

3.2.2 Vooropgesteld wordt dat bij de toekenning van vergoeding van immateriële schade in het algemeen terughoudendheid op zijn plaats is (rov. 4.3). Het moet ervoor worden gehouden dat [betrokkene] zich gedurende ongeveer anderhalve maand - vanaf begin januari 1994 tot kort voor zijn overlijden - in een (soporeuze) toestand heeft bevonden waarvan aannemelijk is dat hij daarin in enige mate het besef heeft gehad van hetgeen hem was overkomen en van de gevolgen daarvan voor zijn naaste familie. Het gevoel van hulpeloosheid ten aanzien van zowel zijn eigen situatie als het verdriet van zijn familie zal hem leed hebben bezorgd dat rechtens moet worden aangemerkt als nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Naar billijkheid wordt hiervoor een vergoeding toegekend van ƒ 5.000,--. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verweerster] als werkgeefster haar zorgverplichting jegens [betrokkene] heeft geschonden doch dat haar overigens ter zake van het ongeval geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts wordt rekening gehouden enerzijds met de relatief lage graad van bewustzijn bij [betrokkene] en in verband daarmee de relatief geringe functie van schadevergoeding, en anderzijds met het feit dat het leed van [betrokkene] kan zijn verhoogd door zijn sterk verminderde vermogen tot communicatie (rov. 4.6). Voor de periode vanaf 26 oktober 1993 tot begin januari 1994 moet worden aangenomen dat bij [betrokkene] onvoldoende besef heeft bestaan van hetgeen hem is overkomen om met grond te kunnen zeggen dat tevens van gederfde levensvreugde/leed en/of een geschokt rechtsgevoel in enige mate sprake was, zodat ten aanzien van deze periode van de bewusteloosheid van [betrokkene] dient te worden uitgegaan (rov. 4.7). Het recht op smartengeld moet in beginsel worden opgevat als een aanspraak van de benadeelde zelf, welke alleen kan ontstaan doordat hij zelf leed heeft ondergaan of in zijn rechtsgevoel is geschokt. Eerst dan is een dergelijk recht op schadevergoeding vatbaar voor overgang onder algemene titel. Dat het recht op smartengeld aldus onvoldoende tegemoet zou komen aan de gerechtvaardigde belangen van de benadeelde, stuit af op het gegeven dat het recht op vergoeding van materiële schade meebrengt dat [betrokkene] ook in zijn periode van bewusteloosheid aanspraak had op behoorlijke medische en therapeutische behandeling, verzorging en verpleging. Voor vergelding of preventie als grondslag voor vergoeding van immateriële schade is geen plaats. Dat in sommige Europese landen in een geval als het onderhavige wel smartengeld wordt toegekend, is geen reden voor navolging, nu zulks in strijd is met de naar Nederlands recht te betrachten terughoudendheid bij de toekenning van deze vergoeding (rov. 4.8). Dit alles brengt mee dat de erven geen aanspraak hebben op smartengeld over de periode waarin [betrokkene] bewusteloos was (rov. 4.9).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9bcd4da5e6a4e7938d6187d7f82672ae4c9a76b45923646bbba1d3ddd401013. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9bcd4da5e6a4e7938d6187d7f82672ae4c9a76b45923646bbba1d3ddd401013, en de alinea staat in dat document op bytes 9607 tot 12488.