Citaat | Hoge Raad 3 mei 2002

Alinea 33 Hoge Raad 3 mei 2002

Een alinea uit Hoge Raad 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2181.

3.2 Het Hof heeft daartoe, voorzover in cassatie van belang, als volgt overwogen. Met betrekking tot het beroep van [eiseres] op matiging van de vordering tot loondoorbetaling overweegt het Hof dat [eiseres] in haar memorie van antwoord na verwijzing haar beroep op matiging van de loonvordering nader onderbouwt met gronden die in het geding vóór verwijzing door haar niet zijn aangevoerd, te weten de gronden onder 24 b tot en met f van die memorie. Het Hof is van oordeel dat, nu het de zaak dient te behandelen in de stand waarin zij zich bevond toen de vernietigde uitspraak werd gewezen, geen acht kan worden geslagen op deze niet eerder door [eiseres] aangevoerde feitelijke verweren. Het Hof komt tot de conclusie dat geen grond bestaat voor het oordeel dat toewijzing van de vordering tot loonbetaling in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden (rov. 2.6 en 2.9).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd8a10e19511ab758f650aeaa079217d916038c6098d8bbbc2df7a2a0105bc08. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd8a10e19511ab758f650aeaa079217d916038c6098d8bbbc2df7a2a0105bc08, en de alinea staat in dat document op bytes 8972 tot 9884.