Citaat | Hoge Raad 9 augustus 2002

Alinea 46 Hoge Raad 9 augustus 2002

Een alinea uit Hoge Raad 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2380.

3.7.1 De onderdelen I.10, I.11, I.12, en II.17 betogen dat bepaalde omstandigheden het Hof hadden moeten weerhouden van zijn aan het slot van 3.6 vermelde gevolgtrekking. De onderdelen voeren als zodanig aan: dat [verweerder] slechts is afgegaan op het feit dat [eiser 1] de eerdere biedingen van [verweerder] mede namens [eiseres 2] heeft afgewezen, hetgeen onvoldoende is voor een gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerder], ook al vond die afwijzing telkens na overleg met [eiseres 2] en in overeenstemming met haar wil plaats (I.10); dat [verweerder] wist dat [eiser 1] geen overleg met [eiseres 2] had gevoerd over zijn vierde bod, en er dan ook niet op had mogen vertrouwen dat [eiser 1] mede namens [eiseres 2] sprak toen hij adviseerde het bod bij de makelaar uit te brengen (onderdeel I.11); dat [eiser 1] medeëigenaar was en dat zijn positie daardoor niet die van een "normale pseudo-vertegenwoordiger" was (onderdeel I.12); dat, anders dan in het geval dat aanleiding heeft gegeven tot HR 23 oktober 1998, nr. C 97/161, NJ 1999, 582, geen sprake was van een transactie in het zakelijk verkeer met een rechtspersoon, [eiseres 2] niet zelf tegenover [verweerder] had laten blijken dat zij ervan op de hoogte was dat [eiser 1] of de makelaar onderhandelingen voerden om tot een koop te komen, en niet gesteld of gebleken is dat de onderhandelingen onder enige tijdsdruk stonden (II.17).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/153b89eaef2824157d65688f59e359ff501ec146ca582863dfa33e4cc1669a1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 153b89eaef2824157d65688f59e359ff501ec146ca582863dfa33e4cc1669a1d, en de alinea staat in dat document op bytes 14878 tot 16287.