Citaat | Hoge Raad 13 september 2002

Alinea 36 Hoge Raad 13 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2386.

3.4 Indien het Hof zijn hiervoor weergegeven oordeel en beslissing hierop zou hebben gegrond dat de vermelding in de akte van appel beslissend is voor het antwoord op de vraag wie als geïntimeerden moeten worden aangemerkt, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het hier toepasselijke art. 270, eerste lid, RvNA vangt het hoger beroep aan met een verklaring dat men van dat middel gebruik wil maken, door de eiser in beroep of diens gemachtigde afgelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg of aldaar schriftelijk ingediend. Dit artikel noch enige andere bepaling stelt nadere eisen aan de inhoud van deze verklaring; met name is niet bepaald dat de verklaring moet vermelden tegen wie het hoger beroep is gericht. In aanmerking genomen dat het Antilliaanse burgerlijk procesrecht niet het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging kent, brengt ook de strekking van voormelde bepaling mee dat zodanige eis niet kan worden gesteld, maar dat de rechter in hoger beroep mede in het licht van hetgeen in de memorie van grieven is aangevoerd en rekening houdende met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij(en), ambtshalve de omvang van het hoger beroep, ook wat betreft de vraag tegen wie het is gericht, dient te beoordelen. Bij deze beoordeling dient uitgangspunt te zijn dat slechts mag worden aangenomen dat de appellant de omvang van het hoger beroep heeft willen beperken, als dit ondubbelzinnig uit de verklaring blijkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7913bffe6ee9f932ddfc9aafbe0b85a10fc5be93e7e82d6f7ddf7d2639a618b3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7913bffe6ee9f932ddfc9aafbe0b85a10fc5be93e7e82d6f7ddf7d2639a618b3, en de alinea staat in dat document op bytes 11668 tot 13150.