Citaat | Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 41 Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3347.

Al is dus de rechter bevoegd de aanvangsdatum van de verplichting of van haar wijziging vóór de dag der dagvaarding te stellen - iets wat ten allen overvloede nog uit het derde lid van dit artikel blijkt -, zo dient de rechter desniettemin van deze bevoegdheid een voorzichtig gebruik te maken. De verplichting is immers niet een tot het voldoen van een geldsom zonder meer, maar tot het verstrekken van levensonderhoud. Deze verplichting is minder sprekend, wanneer levensonderhoud voor het verleden dan wanneer het voor de toekomst wordt gevraagd: iemand in het verleden te onderhouden is evenzeer iets tegenstrijdigs als iemand in het verleden te moeten verzorgen. En zeker mag het recht om levensonderhoud te kunnen vorderen niet misbruikt worden om door met het instellen van de actie te wachten, een potje te vormen. Aan de andere kant mogen deze overwegingen niet ten gevolge hebben, dat zij, die levensonderhoud verschuldigd zijn de betaling uitstellen of geheel achterwege laten en het instellen van een procedure door schijnmanoeuvres trachten te voorkomen om aldus minder te hoeven betalen. Vandaar dat hier een discretionnaire macht aan de rechter is gegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d1ad05735dc736647cb93e1d58ebd4fa760e9edd3eb25dfb49ee3217b91a51fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d1ad05735dc736647cb93e1d58ebd4fa760e9edd3eb25dfb49ee3217b91a51fd, en de alinea staat in dat document op bytes 12528 tot 13714.