Citaat | Hoge Raad 12 november 2002

Alinea 28 Hoge Raad 12 november 2002

Een alinea uit Hoge Raad 12 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3360.

3.3. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat op de door de verdachte gedreven onderneming telkens een plicht tot aangifte als bedoeld in art. 68, eerste lid, (oud) Algemene wet inzake rijksbelastingen rustte. Dat oordeel berust kennelijk op 's Hofs feitelijke vaststelling dat verdachtes onderneming tot het doen van aangifte is uitgenodigd, welke vaststelling het Hof klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk heeft afgeleid uit de hiervoor onder 3.2 weergegeven verklaringen van de verdachte en de mededirecteur van de door de verdachte gedreven onderneming. Deze verklaringen houden immers onder meer in dat financiële motieven ten grondslag lagen aan het niet doen van de aangiften en dat het bekend was dat deze aangiften zo snel mogelijk gedaan moesten worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/896b575959385167b6f01c9818437217c083ecf036319d6dab6e960b29b9094e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 896b575959385167b6f01c9818437217c083ecf036319d6dab6e960b29b9094e, en de alinea staat in dat document op bytes 9676 tot 10485.