Citaat | Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 58 Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381.

5.2.3 De onderdelen 4.2 en 4.3 gaan uit van de veronderstelling dat naar het oordeel van het Hof de curator diende te stellen en zo nodig bewijzen dat de aanduiding van de verpande software onvoldoende is geweest. Deze veronderstelling berust op een onjuiste lezing van het arrest van het Hof, zodat de onderdelen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kunnen leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d631dbbc0d9d4c1f4140a73c6152f35d996eba52187943b096ec7393af66d7c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d631dbbc0d9d4c1f4140a73c6152f35d996eba52187943b096ec7393af66d7c4, en de alinea staat in dat document op bytes 21677 tot 22072.