Citaat | Hoge Raad 13 september 2002
Alinea 55 Hoge Raad 13 september 2002
Een alinea uit Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3383.
3.5.2 Onderdeel 2 is gericht tegen de rov. 14 - 16 van het tussenarrest en de rov. 8 - 9 van het eindarrest. Het betoogt het volgende. Het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft zijn oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd door de vordering van de Staat af te wijzen op de grond dat de Staat niet toereikend heeft gemotiveerd waarom het redelijk is dat [verweerster], die niet in een goederenrechtelijke verhouding tot het terrein staat, op grond van ongerechtvaardigde verrijking kan worden aangesproken. Blijkens de Notitie (de door het Hof vermelde brief van de minister van VROM) en de parlementaire geschiedenis van art. 75 lid 3 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb), kan de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wegens sanering van de bodem zonder meer worden gericht tegen de economische eigenaar. Het kostenverhaal is redelijk nu [verweerster] op het moment van de verkrijging van de economische eigendom van het terrein van de verontreiniging op de hoogte moet zijn geweest.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe, en de alinea staat in dat document op bytes 18059 tot 19105.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe | shasum -a 256