Citaat | Hoge Raad 13 september 2002
Alinea 60 Hoge Raad 13 september 2002
Een alinea uit Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3383.
3.7.2 Het Hof heeft in het eindarrest (rov. 3) terecht overwogen dat voor de toepassing van de regeling van art. 75 lid 3 Wbb niet als een vereiste heeft te gelden dat de verrijkte in een goederenrechtelijke verhouding staat tot de zaak waarop de verrijking betrekking heeft. Tot de gevallen die de bepaling op het oog heeft, zal in ieder geval moeten worden gerekend de situatie dat de verrijking ten goede komt van de economische eigenaar van een verontreinigde onroerende zaak. [Verweerster] heeft in de procedure haar verrijking bestreden, onder meer door erop te wijzen dat het terrein bij verkoop weinig heeft opgebracht (conclusie van antwoord onder 11 en conclusie van dupliek onder 7). Zij heeft echter niet ontkend dat het belang, verbonden aan het verontreinigde terrein, haar aanging. Gelet hierop is onbegrijpelijk dat het Hof in het tussenarrest (rov. 12) heeft overwogen dat vooralsnog onvoldoende feiten en omstandigheden waren gesteld die konden leiden tot het oordeel dat de veronderstelde waardestijging van het terrein aan [verweerster] als economische eigenares ten goede zou zijn gekomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe, en de alinea staat in dat document op bytes 21719 tot 22843.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe | shasum -a 256