Citaat | Hoge Raad 13 september 2002
Alinea 61 Hoge Raad 13 september 2002
Een alinea uit Hoge Raad 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3383.
3.7.3 Met betrekking tot de redelijkheid van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is het Hof in het tussenarrest in de rov. 14 - 17 en in het eindarrest in rov. 8 en 9 tot de conclusie gekomen dat de redelijkheid aan de vordering ontbreekt, omdat de Staat haar slechts heeft gemotiveerd met een verwijzing naar de wetenschap van de koper op het moment van diens verkrijging van de onroerende zaak, waarbij het Hof ervan uit is gegaan dat de Staat de verkrijging door een juridische eigenaar aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.7.1 is overwogen, is dit uitgangspunt niet begrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe, en de alinea staat in dat document op bytes 22863 tot 23518.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cfb9d330b497cfbf0df1eb8bbba22fab87d5a130cb449cc18c0acaa703fabebe | shasum -a 256