Citaat | Hoge Raad 7 juni 2002
Alinea 41 Hoge Raad 7 juni 2002
Een alinea uit Hoge Raad 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3796.
3.3 In zijn, ook door het Gerecht aangehaalde, arrest van 5 september 1997, nr. 16400, NJ 1998, 437, heeft de Hoge Raad met betrekking tot vorderingen uit hoofde van een na de faillietverklaring zonder rechtsgrond aan de gefailleerde of de curator gedane betaling twee soorten gevallen onderscheiden: enerzijds de gevallen als dat van HR 14 december 1984, nr. 12318, NJ 1985, 288, waarin het ging om een aan de schuldenaar na diens faillietverklaring gedane betaling die - ten gevolge van het met terugwerkende kracht tot een vóór de faillietverklaring gelegen tijdstip vervallen van de rechtsgrond - achteraf onverschuldigd bleek te zijn, en anderzijds de gevallen waarin tussen de gefailleerde en degene die aan hem betaalde geen rechtsgrond bestaat of heeft bestaan die aanleiding tot de betaling gaf, en waarin de betaling slechts het gevolg is van een onmiskenbare vergissing.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77be4b66d623dd3804737951be0c0d97f111b3d66380ba3a3101a9fd805ffaf0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77be4b66d623dd3804737951be0c0d97f111b3d66380ba3a3101a9fd805ffaf0, en de alinea staat in dat document op bytes 11896 tot 12793.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/77be4b66d623dd3804737951be0c0d97f111b3d66380ba3a3101a9fd805ffaf0 | shasum -a 256