Citaat | Hoge Raad 20 december 2002
Alinea 42 Hoge Raad 20 december 2002
Een alinea uit Hoge Raad 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4369.
3.6. De klacht die wordt aangevoerd tegen 's Hofs oordeel dat sprake is van grove schuld zodat de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging terecht is belopen, steunt op de stelling dat het standpunt van belanghebbende dat de communautaire bepalingen die zijn uitgewerkt in de Nederlandse regelgeving waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd, in strijd zijn met primair EG-recht, zo niet juist dan toch in ieder geval pleitbaar is. Die stelling, welke niet de verenigbaarheid van een bepaling van nationaal recht met het gemeenschapsrecht betreft doch ziet op de mogelijke strijdigheid van een bepaling van gemeenschapsrecht met een hogere regel van gemeenschapsrecht, kan belanghebbende evenwel niet baten. De vaststelling van de ongeldigheid van een handeling van de Gemeenschap - in dit geval de aanpassing van de Zesde richtlijn - is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, Jurispr. 1987, blz. 4199, punt 17). Hieruit en uit artikel 234 EG volgt dat de Zesde richtlijn - voorzover hier van belang - moet worden verondersteld geldig te zijn zolang het Hof van Justitie deze niet ongeldig heeft verklaard. Uit het in het EG-Verdrag neergelegde stelsel van wetgeving en rechtspraak volgt weliswaar dat de eerbiediging van het communautaire wettigheidsbeginsel meebrengt dat de justitiabelen het recht hebben de geldigheid van een gemeenschapshandeling in rechte te betwisten, maar dat neemt niet weg dat, daargelaten de bevoegdheid van de nationale rechter in kort geding, zoals door het Hof van Justitie omschreven in het arrest Suederdithmarschen, gevoegde zaken C-143/88 en C-92/89, Jurispr. 1991, I-415, alle rechtssubjecten van de Gemeenschap gehouden zijn de volle werking van gemeenschapshandelingen te erkennen zolang hun ongeldigheid niet door de bevoegde rechterlijke instantie is vastgesteld (vgl. HvJ EG 13 februari 1979, Granaria, 101/78, Jurispr.1979, blz. 623, punten 4-6). Belanghebbende heeft enkel op grond van haar eigen zienswijze omtrent de geldigheid van de Zesde richtlijn gehandeld zoals zij heeft gedaan, en het daarbij gelaten. Indien zij van mening was dat wegens de strijdigheid van de Zesde richtlijn met artikel 14 EG van haar niet kon worden gevergd dat zij een verdere controle uitoefende omtrent de bestemming van de pannensets, had zij die mening kenbaar moeten maken bij de aangifte dan wel in een bezwaar tegen het op aangifte voldane bedrag. Aldus zou zij zich een ingang hebben verschaft tot een procedure waarin omtrent de geldigheid van de Zesde richtlijn zonodig een prejudiciële vraag had kunnen worden gesteld aan het Hof van Justitie. Door laatstbedoelde weg niet te volgen heeft belanghebbende op voorhand aanvaard dat het mogelijkerwijs niet zou komen tot een vaststelling van de onrechtmatigheid van de Zesde richtlijn door de bij uitsluiting tot een zodanige vaststelling bevoegde instantie. Door niettemin van die onrechtmatigheid uit te gaan, heeft zij dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat door haar te weinig belasting is voldaan. De middelen falen derhalve ook in zoverre.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b965dff52c3bacd1894ac48c3570b71d669a2c2015700c26f505ef12866c3905. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b965dff52c3bacd1894ac48c3570b71d669a2c2015700c26f505ef12866c3905, en de alinea staat in dat document op bytes 20392 tot 23547.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b965dff52c3bacd1894ac48c3570b71d669a2c2015700c26f505ef12866c3905 | shasum -a 256