Citaat | Hoge Raad 21 juni 2002
Alinea 32 Hoge Raad 21 juni 2002
Een alinea uit Hoge Raad 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380.
3.3.2 Het middel, dat - terecht - op zichzelf niet bestrijdt dat ook de President in kort geding bevoegd is op de voet van art. 3:300 lid 2 BW te bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van een (deel van een) akte als bedoeld in die bepaling, berust op het uitgangspunt dat een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW niet bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding kan worden verleend. Dit uitgangspunt is evenwel onjuist, zodat het middel faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f638fb41b734664ac122cfb1abbc17e41ec43b5868f398ed44b576367d981bc5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f638fb41b734664ac122cfb1abbc17e41ec43b5868f398ed44b576367d981bc5, en de alinea staat in dat document op bytes 7917 tot 8460.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f638fb41b734664ac122cfb1abbc17e41ec43b5868f398ed44b576367d981bc5 | shasum -a 256