Citaat | Hoge Raad 11 oktober 2002

Alinea 43 Hoge Raad 11 oktober 2002

Een alinea uit Hoge Raad 11 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4430.

3.8 Onderdeel 3 klaagt dat het Hof zich niet had mogen beperken tot een onderzoek van de vraag of van [verweerster] redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij ten tijde van de aangifte ook een rechtsvordering tegen [eiser] zou instellen, maar dat het tevens had moeten onderzoeken of van [verweerster] ook niet kon worden gevergd dat een, de lopende verjaring stuitende, schriftelijke aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 3:317 aan [eiser] uitging. Het onderdeel faalt, aangezien 's Hofs oordeel dat de verjaring in een geval als het onderhavige pas een aanvang neemt, wanneer de aan de schuldenaar toe te rekenen omstandigheden het geldend maken van de vordering niet langer verhinderen, juist is, en van stuiting geen sprake kan zijn zolang de verjaring geen aanvang heeft genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/acf6f576677d3ff8b25151e6400ea72a6babefc159fe85602f98cdc70907e11d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt acf6f576677d3ff8b25151e6400ea72a6babefc159fe85602f98cdc70907e11d, en de alinea staat in dat document op bytes 13199 tot 14001.