Citaat | Hoge Raad 20 september 2002

Alinea 32 Hoge Raad 20 september 2002

Een alinea uit Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4432.

3.2 In het onderhavige kort geding heeft [verweerder] opheffing van het beslag gevorderd. De President heeft de vordering toegewezen. Hij heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat noch uit het door ZHD ter zitting gestelde noch uit de door haar in het geding gebrachte stukken blijkt of daaruit aanwijzingen zijn te putten dat haar vermoeden dat Wala van de malversaties van [betrokkene 1] heeft geprofiteerd, gerechtvaardigd is. Waar geen enkele omstandigheid is aangevoerd die zou wijzen op betrokkenheid van [verweerder] in persoon bij de gepleegde malversaties of van kennis omtrent die malversaties, die hij als directeur noodzakelijkerwijs zou moeten hebben verkregen, is de vordering waarop het beslag is gegrond, summierlijk ondeugdelijk gebleken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4be53484907ce64fd0f6091c11e555dafb49cc5e056dc5538504b532d9a8fc04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4be53484907ce64fd0f6091c11e555dafb49cc5e056dc5538504b532d9a8fc04, en de alinea staat in dat document op bytes 9467 tot 10241.