Citaat | Hoge Raad 28 juni 2002

Alinea 54 Hoge Raad 28 juni 2002

Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663.

3.4.6 Uit het voorafgaande volgt dat ook het oordeel van de Ondernemingskamer dat Akzo Nobel in een positie is komen te verkeren "als had zij zich ten behoeve van de dochter (...) jegens de contractant tot borg gesteld", geen stand kan houden. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op een uitleg van de door Akzo Nobel afgelegde verklaring, is haar oordeel in het licht van de bewoordingen ervan die niets omtrent borgtocht inhouden, onbegrijpelijk. Voor zover de Ondernemingskamer dit oordeel heeft gebaseerd op de strekking van art. 2:403, berust haar oordeel op een onjuiste rechtsopvatting, nu hoofdelijke aansprakelijkheid, ook in het kader van deze bepaling, niet op één lijn gesteld kan worden met borgtocht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2e76e977d4e95038d4cbf5b1f423406fb0eb25c9afb59733bd12cfe6839d398. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2e76e977d4e95038d4cbf5b1f423406fb0eb25c9afb59733bd12cfe6839d398, en de alinea staat in dat document op bytes 18674 tot 19427.