Citaat | Hoge Raad 12 juli 2002

Alinea 26 Hoge Raad 12 juli 2002

Een alinea uit Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5582.

In geval van onteigening van verhuurde bedrijfs-ruimte als bedoeld in artikel 42, eerste lid, Onteigeningswet wordt de huurder die zijn bedrijf elders moet voortzetten schadeloos gesteld voor het nadeel dat hij ondervindt doordat hij op een tijdstip gelegen vóór dat waarop de huurovereenkomst zonder onteigening zou zijn geëindigd, moet heengaan en zich elders vestigen. Van belang is daarbij wat hij méér dan zonder onteigening het geval zou zijn geweest, zal moeten uitgeven om zich elders op vergelijkbare wijze in te richten; in beginsel zal hem geen vergoeding toekomen voor niet-meeneembare investeringen die hij op of aan het gehuurde heeft verricht. Voor zo'n vergoeding zou wel plaats kunnen zijn in gevallen waarin tussen huurder en verhuurder is bedongen dat de verhuurder de door de huurder aangebrachte verbeteringen bij het einde van de huur tegen de te schatten waarde zal overnemen of waarin de huurder in verband met door hem aangebrachte verbeteringen bij het einde van de huur een aanspraak op de voet van artikel 6:212 BW jegens de verhuurder zou kunnen doen gelden. In die gevallen verliest de huurder als gevolg van de onteigening een aanspraak jegens de verhuurder en dient hem het daardoor geleden nadeel te worden vergoed. Het onderdeel slaagt derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/082f5e76244216ea9e06cddc702fca553de40b188179da78d6bdf0f6dfdde3df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 082f5e76244216ea9e06cddc702fca553de40b188179da78d6bdf0f6dfdde3df, en de alinea staat in dat document op bytes 9510 tot 10807.